Spring naar inhoud

Mimoun Oaïssa – Techniek, smaak en maatschappelijk bewustzijn

november 29, 2009

 

Door Chris Keulemans

Zodra het goed gaat lijkt het makkelijk. Mimoun Oaïssa, zo’n acteur die ook in bijrollen van het doek spat, maakt de indruk dat het hem allemaal geen moeite kost. Met zijn zware wenkbrauwen, brede schouders, onstuitbare babbel en de kwikzilveren intelligentie van de acteur die altijd ziet waar de ruimte zit om zich vrij te spelen is Oaïssa in elke film of serie de blikvanger, van ‘Najib en Julia’ tot ‘Shouf Shouf Habibi’, en van ‘Costa!’ tot ‘Het schnitzelparadijs’. Pas als je de anderen naast hem ziet ploeteren snap je wat een techniek en timing ze vergen, die wereldwijze monoloogjes in ‘Het schnitzelparadijs’, zijn ene arm om de schouder van de nieuwkomer in de keuken van Hotel De Blauwe Gier en het hoofd van zijn koksmaatje onder de andere geklemd, of de landerige, onderuitgezakte uitdeboomkijkerij op het arbeidsbureau in ‘Shouf Shouf Habibi’. Hij is pas dertig, de acteur die namens Nederland naar het Berlijnse filmfestival mocht als een van de 21 Europese Shooting Stars, maar hij heeft er al jaren van zware training op zitten.

‘Van Artisjok 020 ging ik door naar DNA,’ vertelt hij, tussen twee afspraken door op een maandagmorgen in De Balie. ‘Daar leerde ik dat je jezelf niet te klein mag maken. Griepjes of hoofdpijntjes telden niet. Hou jezelf voor altijd voor iets wat groter is dan je hoofdpijn, zeiden ze tegen me, dan zakt-ie vanzelf weg.’ Alida Neslo, Yusuf Daniels en vooral Bart Kiene brachten hem het belang bij van de discipline en autonomie waarmee hij het later zelf moest redden. ‘Dansen, tai chi, kabuki, dat zat er allemaal bij, maar ze hamerden er vooral op dat ik drie dingen tegelijk moest ontwikkelen: techniek, smaak en maatschappelijk bewustzijn. Het duurde nog wel een tijd voordat ik die mix kon koppelen aan het acteurswerk dat ik ambieerde. Pas toen ik al op de toneelschool zat, zag ik plotseling een parallel tussen noh theater en de minimale oogbewegingen waarmee method-actors als Robert de Niro of Al Pacino de spanning binnen een shot opbouwen. Dat snijpunt is heel interessant, dat zou je ook in een opleiding meer kunnen laten zien: wat kan je met dat lespakket van verschillende stijlen en technieken in je toekomstige werkpraktijk? Niet iedereen wordt tenslotte autonoom kunstenaar. En het is ook niet de bedoeling dat je zelf Chinees theater gaat maken.’

Net als voor Jörgen Tjon a Fong en Sabri Saad al Hamus werd de toneelschool voor Oaïssa een gevecht. Over de geijkte cultuurverschillen of uitsluitingsmechanismes horen we hem net zo min als de anderen, maar wel over het gebrek aan discipline, hardheid, motivatie. Hij botste met leerlingen die zich met kwaaltjes afmeldden voor repetities en liep regelmatig gedeprimeerd door de gangen. ‘Gelukkig was ook daar dan Bart Kiene, die me op de schouders sloeg en zei: “Gefeliciteerd! Je hebt een depressie, je bent dus aan het leren.’ En er was natuurlijk Pierre Bokma, die hij als achttienjarige zes, zeven keer was gaan bekijken in ‘Richard III’. Tegen de Filmkrant vertelde hij vorig jaar hoe hij zijn idool voor zich won. De monomane drang om te slagen van de Shooting Star zat er al vroeg in. “Ik ging auditie doen bij de toneelschool en wist meteen: dit is de man die mij moet helpen, ik moet les hebben van Pierre Bokma. Met een mengeling van lef en totale angst ben ik hem gaan stalken. Ben het halve land afgereisd om voorstellingen bij te wonen, heb overal bij de artiesteningangen staan wachten. Het is toch een beetje alsof je Johan Cruijff opbelt met de vraag of hij je komt helpen bij het oefenen van passeerbewegingen.” Bokma kon er niet meer onderuit. Hij begeleidde zijn jonge stalker op de toneelschool, en kort daarna werden ze collega’s bij Toneelgroep Amsterdam.

‘Dat ik anders was speelde geen rol. Ik voelde me acteur tussen de acteurs. Extra begeleiding had ik niet nodig. Het gezelschap hoefde zich in geen enkel opzicht aan te passen voor mij. Rijnders en Van Hove, de regisseurs met wie ik gewerkt heb, deden niet aan typecasting. Er werd volledig kleurenblind gecast.. In Macbeth speelden we allemaal Schotten. Het zijn daar theatermakers pur sang, die zijn echt niet bezig met mijn kleur. Zowel Rijnders als Van Hove hebben ongelooflijk hun best gedaan om me daar te krijgen en te houden. Ik heb er met ontzettend veel plezier gewerkt. Ik behield mijn autonomie, leerde ontzettend veel zowel van de regisseurs als van mijn collega’s .’

Zou het de enige manier zijn om als gekleurde acteur in een lelieblank gezelschap overeind te blijven? De kwestie niet problematiseren, niet eens benoemen zelfs, maar stelselmatig mikken op het hoogste en ‘voorbij de kleur spelen’, zoals Raymi Sambo het onlangs noemde, de acteur die weet wat hem te doen staat om te voorkomen dat hij eeuwig de lachende neger moet spelen. Oaïssa schudde de kleur van zich af en speelde met vervaarlijke concentratie in voorstellingen als de theatrale achtbaan ‘True Love’ en het hoog-gestileerde ‘Massacre at Paris’ – ‘met Kitty Courbois als mijn moeder en Titus Muizelaar als oom’. De jongen die als baby uit het Marokkaanse dorpje Ben-i-Said verhuisde naar Amstelveen stond als twintiger in de grote schouwburgen van het land. Waarom hij wel en anderen niet? ‘Het is ook een keuze. Zo’n gezelschap heeft natuurlijk maar voor een beperkt aantal acteurs ruimte, maar het schouwburgcircuit vraagt ook een bepaalde stijl waar lang niet alle jonge acteurs van houden.’ Toch was ook Oaïssa’s keuze tijdelijk. Het was hem niet genoeg.

‘Bij zo’n groot gezelschap speel je vooral het klassieke repertoire. Daar zit een zekere abstractie in. De techniek en de stijl om aan de eisen van Toneelgroep Amsterdam te voldoen had ik blijkbaar, maar als acteur vond ik op dat moment film aantrekkelijker. Na een workshop van een paar maanden in New York, pure method acting, wist ik het zeker. Technisch vond ik camera-acteren toen interessanter. Een actie-scène op toneel is toch heel anders dan in een film. En film is net zoiets als een wedstrijdavond, dat ene moment waarop je móet presteren. Theater duurt langer, eerst de repetities, dan vind je iets goeds, en dan moet je dat nog dertig of veertig keer herhalen, elke avond opnieuw. Bovendien: ‘mijn’ verhalen wilde ik niet in het theater kwijt. De jonge gasten uit Amsterdam Oost en West, die ze zouden herkennen, gaan niet naar de schouwburg. Ik voelde de ambitie ook helemaal niet om uit te zoeken of ik die twee werelden met elkaar kon verenigen. Tegelijkertijd zag ik in Nederlandse film en tv-series onderwerpen die me niet interesseerden. Het ging altijd over een grachtengordel-bewoner van middelbare leeftijd met een drankprobleem. Ik dacht: volgens mij is het best te doen om iets te maken dat wél leuk is. En ik wilde zelf een hoofdrol spelen in een film, had geen zin om te wachten tot iemand die beschikbaar had. Het werd een optelsom. Ik zocht een andere techniek, een ander publiek, en een ander medium om een verhaal te vertellen.’

Opnieuw liep hij niet in de fuik. Film en televisie blijken al jaren een makkelijker toegankelijk podium voor gekleurde acteurs dan het gevestigde toneel. Het publiek is breder, de codes minder ingewikkeld, de reflectie op de samenleving directer. Maar voor je het weet zit je vast in stereotiepe rollen. ‘Rollen voor Marokkaanse acteurs zijn redelijk beperkt,’ zei Oaïssa in de Filmkrant. ‘In politieseries speelde ik altijd de verdachte – die het overigens nooit gedaan had. Of je wordt gecast als de voorbeeld-Marokkaan. Dan hoef je maar een paar dingen over te brengen: hij is aangepast, spreekt keurig Nederlands, doet het goed op school en is vriendelijk voor dieren en oude vrouwtjes. In zo’n reclame-Marokkaan kan je als acteur natuurlijk niet bar veel kwijt. Ik wilde wel eens een uitdagende rol, liefst in een komedie. Shouf Shouf Habibi was dus eigenlijk werkverschaffing voor mezelf.’

Nederland was er klaar voor. Vier Marokkaanse vrienden en een oude auto, verder was Oaïssa niet, toen hij met zijn plannetje naar scenarist/regisseur Albert ter Heerdt stapte. Een paar maanden later lag het script klaar voor een film die zo perfect op zijn plaats viel dat je je alleen maar kon afvragen waarom niemand eerder op het idee was gekomen. In razende vaart werden alle hoofdrolspelers van het multiculturele drama dat de natie obsedeert tegelijk liefdevol op de hak en grinnikend serieus genomen, van de aangepaste Marokkaanse politieagent tot de trouweloze Hollandse wizzkid, van de boefjes op de hoek tot de slovende moeder die vilein wraak neemt op haar wrakkige echtgenoot. De laatste beelden, waarin de tot conducteur omgetoverde Marokkaanse gabbers zich verslikken in hun bakkie omdat hun trein zowaar op tijd vertrekt, zijn nu al klassieke Hollandse cinema.

Mimoun Oaïssa was het onstuitbare middelpunt. Alle verhalen die hij de schouwburg had onthouden spatten eruit, en zijn techniek laveerde hem zoevend door de ene scène na de andere. Een goede acteur slaat de hele dag de verhalen, accenten, grappen en lichaamshoudingen die hij tegenkomt op, en hier kon Oaïssa er hele karrenvrachten kwijt. Werkverschaffing? Een understatement. De film bezorgde niet alleen hem, maar een klein echelon Marokkaanse acteurs een plek in de schijnwerpers, een nieuwe generatie stadsbewoners zelfvertrouwen en zelfironie, en een groot publiek een blik op het kleine hart van de jongens waar ze overdag met een grote boog omheen lopen. De film werd een televisieserie en maakte de weg vrij voor ‘Het schnitzelparadijs’, inhoudelijk minder sterk maar visueel swingender. Waarmee een genre geboren is en Oaïssa zichzelf heeft opgezadeld met een gewetensvraag. Wordt hij de koning van de lichtvoetige Marokkaanse zedenschets, of weet hij opnieuw de fuik van de stereotypering te ontlopen?

‘Ik lees momenteel ‘Jihad vs. McWorld. How globalism and tribalism are reshaping the world’ van Benjamin Barber. Ik lees veel: tijd winnen door tijd te verliezen. Globalisering, terrorisme, de botsing der culturen, dat zijn de grote verschuivingen van deze tijd. Om die te laten zien, in al hun historische, politieke en economische gelaagdheid, in een aantrekkelijke vorm, dat is ontzettend moeilijk. Maar tussen het werk aan de vervolgserie op Shouf door ben ik op zoek naar een verhaal waarin me dat lukt. Ik wil de perspectieven waar de media vol van staan overstijgen: het rechtse Hollandse, het zoekende linkse, het islamitisch-fundamentalistische. Kunst kan dat. Misschien zit het uiteindelijk meer in de psychologie dan in de politiek. Uiteindelijk zijn we allemaal mensen die door dezelfde mechanismen gedreven worden.’

Zijn uitdrukking houdt het midden tussen bloedserieus en uitdagend: waag het niet hem uit te lachen, onmogelijke ambities heeft hij al vaker waargemaakt. En die schaduw die even over zijn gezicht trekt zou wel eens iets weg kunnen hebben van het verantwoordelijkheidsgevoel van iemand die, of hij nu wil of niet, een gezicht geeft aan zijn generatie. ‘Verantwoordelijkheid? Die heb ik vooral naar mezelf. Om niet steeds hetzelfde te doen, niet in herhaling te vervallen. Ik zie mezelf niet als ‘voorvechter van’. Maak het niet zwaarder dan het is. Mensen kunnen veel meer dan ze denken. Je moet jezelf niet te klein maken door je problemen op te blazen, dat ben ik niet vergeten. Net als met die hoofdpijntjes vroeger bij DNA is het ook met de zwaarte die er nu rond de multiculturele samenleving hangt. Het is best een complexe situatie maar je moet de problematiek van onderlinge verschillen niet overdrijven. Oplossingen zoeken is veel interessanter dan eindeloos op een probleem te blijven hameren. Die knie zeg!’ Hij grijpt met een pijnlijke grimas naar zijn knie. ‘Die knie! Neem nou die knie!’ Hij grijpt er nog eens naar, fronsend en schuddend met zijn hoofd. ‘Je kan je energie erop richten om drie miljoen keer naar die knie te kijken, en hem van alle kanten te onderzoeken, zuchtend en zorgelijk, maar je kan ook je energie richten op het genezen. Of misschien ben je 98 en mag je dolblij zijn dat je alleen maar last hebt van je knie. In de hele integratiediscussie van nu is het niet productief om te blijven steken bij het benoemen van problemen, het is veel interessanter om te werken aan het ontwikkelen van een visie op de toekomst waarin je iedereen meekrijgt. Net of je een bedrijf gaat reorganiseren. Je kan binnenkomen en tegen mensen roepen dat ze niet deugen en dingen niet goed doen. Maar ook zeggen: “dat en dat gaat goed, en als je nu ook dit nog doet dan komen we met het bedrijf uit waar we willen. Lijkt je dat interessant? Nee? Goh, waarom niet?” Echte communicatie, over en weer. Nu gaat het allemaal via decreten en bevelen. En mensen hebben één ding gemeen: als ze niet zien wat ze daaraan hebben, dan doen ze echt niet mee.’

Tijd voor de volgende afspraak, het volgende project, de volgende opname. Mimoun Oaïssa is verslaafd aan de wedstrijdspanning, en iedereen die een kaartje koopt krijgt waar voor zijn geld, daar gaat hij persoonlijk voor zorgen.

 

CHRIS KEULEMANS (1960) is schrijver en publiceert regelmatig in de Volkskrant, Vrij Nederland en De Gids. In 1992 debuteerde hij bij uitgeverij Van Gennep met Overal om me heen is ruimte, in 1994 gevolgd door Een korte wandeling in de heuvels. Bij uitgeverij De Balie verscheen in 1997 Van de zomer naar de werkelijkheid. In 2004 kwam zijn roman De Amerikaan die ik nooit geweest ben uit. In 2007 publiceerde hij samen met Jos Heijnen Zaterdag één.

Neelie Kroes – Ik geloof heilig in gedrevenheid, en het accepteren van de consequenties

november 16, 2009

Als u terugkijkt op uw leven, gelooft u dan in een lot dat u op deze positie in Brussel heeft gebracht?

Nee, absoluut niet. Bijna alle stappen gaan gepaard met bloed, zweet en tranen. Het verhaal dat dingen vanzelf gebeuren, daar klopt niks van. De reden dat ik bijvoorbeeld in Brussel ben terechtgekomen is afhankelijk geweest van allerlei factoren. De belangrijkste was dat Barroso had verklaard dat hij in zijn team eenderde deel vrouwen wilde hebben. Ik ben dus zo’n excuus-truus om het zo maar te zeggen. Ik heb als kind nooit gedacht dat ik deze functie zou bekleden.

Hoe heeft u uw opleiding gekozen?

Ik zat op een lagere school waar geld werd ingezameld voor missieziekenhuizen in Afrika. Ik was gefascineerd door die verhalen en het samenwerken om leefomstandigheden te verbeteren. Aanvankelijk wilde ik daarom geneeskunde studeren. Maar mijn vader wilde de studie zelf betalen in plaats van dat ik gebruik zou maken van een studiebeurs. Hij had een eigen onderneming dus hij wist nooit hoe hij er na verloop van tijd financieel zou voorstaan. Als ik medicijnen zou studeren en er halverwege mee zou stoppen, had je er niks aan, vond hij. Bij economie had je dan nog je kandidaats waarmee je een kleine voorsprong op de arbeidsmarkt zou hebben. Het werd dus economie, want het was nog een tijd dat vaders echt wat te zeggen hadden over hun kinderen. Uiteindelijk vond ik dat gelukkig wel een leuke studie.

Zijn er elementen uit uw jeugd waar u nog dagelijks profijt van heeft?

Ik denk dat de Rotterdamse mentaliteit uit mijn ouderlijk huis, van mouwen opstropen en niet klagen nog veel invloed heeft.

Kunt u ook een specifiek moment aanwijzen waarin uw carrière zich heeft ontwikkeld?

Het is eigenlijk stap voor stap gegaan, en daar zit wel een rode draad in. Soms loopt het ook anders dan je had gepland. Ik wilde in eerste instantie naar Washington om te werken voor het IMF maar ik wijzigde mijn plan toen de prins op het witte paard langs kwam. Die is er later trouwens weer afgeflikkerd.

De politiek kwam voor mij als een logische stap. Als je de veranderingen die je zou willen toepassen niet via de wetenschap kan bereiken, en ook niet in het bedrijfsleven, dan ga je naar de politiek. Eerst gemeenteraadslid, dan Kamerlid, en vervolgens wil je achter die tafel zitten waar de besluiten genomen worden, en word je staatssecretaris of later minister. Er is dus niet een echte planning geweest. Maar elke keer wil je een stukje verder komen.

Heeft u leermeesters of idolen gehad?

Ik heb een aantal mensen die ik enorm respecteer en bewonder, maar dat zijn vaak mensen die in anonimiteit leven. Zo heb ik ooit tijdens een bezoek aan Vietnam in oorlogstijd een indrukwekkende ontmoeting gehad. Onze gids en vertaler wees mij erop dat wij tijdens het officiële gedeelte van het bezoek niet het ware gezicht van de oorlog te zien kregen, en hij nam mij in de vroege ochtend mee naar een sloppenwijk. Daar kwamen we bij een moeder die met haar zes kinderen onder een gietijzeren plaat tegen de regen schuilde. Ik wist aanvankelijk niet wat ik moest zeggen, maar toen ik in de hoek een Mariabeeldje zag staan, vroeg ik haar of zij veel moed uit haar geloof putte. Ze keek me aan, en gaf mij toen een zeer wijze les: ‘Dacht u dat ik daar tijd voor heb, ik ben alleen maar bezig om eten te vinden om mijn kinderen in leven te houden.’ Ik zag plotseling in dat ik mijn eigen denkbeeld op hen projecteerde, en dat het bijna onmogelijk is om in zulke situaties in te leven.

Bent u zelf gelovig?

Nee, het is een tijd geleden dat ik dat heb afgezworen. In eerste instantie ben ik er wel mee opgevoed, ben zelfs met de eerste ridder op het paard in de kerk getrouwd, ons kind werd gedoopt, maar toen was het voor mij op een gegeven moment voorbij. Met alle respect voor de mensen die dat wel hebben behouden. Voor mij is het heel duidelijk dat ik in Darwin geloof.

Heeft u wel bepaalde rituelen?

Ik hecht er zeer veel waarde aan Kerst te vieren met de mensen die me dierbaar zijn, maar dat is maar eens per jaar. Dagelijks is het vooral werk. Al die prinsen op hun witte paarden zijn weer weggehobbeld, mijn kinderen wonen in de Verenigde Staten dus wat dat betreft heb ik het lekker rustig. En met deze baan kun je, tenzij die al heel goed verankerd is, geen relatie opbouwen. Dan zou ik of mijn werk heel erg tekort doen, of de relatie. Ik ben heel gedisciplineerd aan de ene kant, en een workaholic aan de andere kant. Ik sta vroeg op en gebruik de lange Brusselse lunchpauzes om weer bij te lezen. Het werk duurt over het algemeen tot een uur of negen, tien ‘s avonds. En soms is er dan nog een kop soep in een café.

Zijn er naast bloed, zweet en tranen nog andere dingen essentieel om je dromen te bereiken?

Ik praat niet snel in dromen. In mijn vak is het belangrijk met beide benen op de grond te staan, en duidelijke doelen te stellen. Maar om daar te komen geloof ik heilig in gedrevenheid, en het accepteren van de consequenties.

Heeft u wel nog specifieke doelen voor de toekomst?

In ieder geval niet achter de geraniums zitten, want dan word ik een ellende voor mijn omgeving. Nou, misschien heb ik toch wel een kleine droom voor de lange termijn. Ik vind dat de positie van vrouwen nog veel verbetering behoeft, en dan heb ik het niet eens zozeer over West-Europa. Maar vooral elders in de wereld, daar is nog zo vreselijk veel te doen dat ik me kan voorstellen dat ik me daar nog eens op richt.

Heeft u nog een tip voor ons hoe ook wij op 68-jarige leeftijd zo actief kunnen zijn als u, zowel fysiek als geestelijk?

Deels is het natuurlijk geluk hebben dat het lichaam niet gaat haperen. Maar ik denk dat het heel veel uitmaakt of je echt plezier hebt in wat je doet. Dat wil niet zeggen dat ook ik het soms moeilijk vind en fouten maak. Maar ik sta nooit met de pest in mijn lijf op. Altijd heeft een nieuwe dag voor mij weer de uitdaging om er tegenaan te gaan.

Wangari Maathai – Gaan Europeanen echt met pensioen op hun 65ste?

november 16, 2009

INTRO : Ze is nog nooit wakker geworden met het idee: ‘Wauw, ik heb de wereld veranderd’. Wel heeft het innerlijk iets met haar gedaan toen ze op 18 oktober over een krakende telefoonlijn hoorde dat haar de Nobelprijs voor de Vrede was toegekend. Op dat moment drong het tot de Keniaanse professor Wangari Maathai (64) door: ,,Mijn God, de wereld heeft me begrepen.”

LONDEN – ,,Gaan Europeanen echt met pensioen op hun 65ste? Soms zelfs nog eerder? Haha, ik ben nog maar net begonnen. Ik moet er niet aan denken dat ik binnen een half jaar opeens zou moeten stoppen met waar ik al die tijd zo hard voor heb gewerkt. Nee, ik ga door tot ik omval. De toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede heeft me ontzettend veel vuur gegeven.”

Wangari Muta Maathai (64) zit parmantig op een fauteuil in een sjieke Londense hotelkamer. Haar jurk en bijpassende haarband lijken op de outfit die ze twee weken geleden droeg tijdens de acceptatie van de Nobel Vredesprijs in Oslo: kleurrijk, opgewekt, bekoorlijk. De in april 1940 in Kenia geboren milieuactiviste is uitgegroeid tot de belangrijkste vredestichter van dit moment.

,,Ik ben opgelucht dat de Nobelcommissie heeft ingezien dat er een band bestaat tussen vrede en milieu. Ze begreep dat het gevecht voor natuurlijke hulpbronnen de basis vormt voor veel wereldconflicten. Zelf had ik dat ook niet meteen door hoor, toen ik mijn eerste boom plantte. Ik wilde vrouwen helpen, maar dat liep uit op een hevig gevecht met de regering. Om te bereiken waarin je gelooft moet je soms een hoop riskeren. Kijk naar Martin Luther King, Nelson Mandela, Bisschop Tutu, die allemaal deze Nobelprijs wonnen. Ik ben zo blij dat ook ik internationale erkenning heb gekregen voor de risico’s die ik nam voor democratie en vrede.”

Ze is niet op haar mondje gevallen. De jong ogende laureaat kwebbelt vrolijk over alles wat ze op haar levenspad tegenkwam, ook al waren dat soms zeer pijnlijke ervaringen. ,,Ik ben altijd zeker van mezelf geweest, heb altijd mijn woordje klaar gehad. Dat komt denk ik omdat ik veel heb gereisd. Ik was geen naief plattelandskind, ik studeerde veel in het buitenland. Dat was in een tijd dat de meeste Afrikaanse meisjes uit de provincie niet eens naar school gingen.”

Maathai groeide op in een boerengemeenschap in de voormalige White Highlands, een regio in Centraal-Kenia, beroemd door Isac Dinesens (Karen Blixen) roman ‘Out of Africa’. ,,Ik woonde aan de voet van Mount Kenya, daar heb ik in oktober een boom geplant toen ik hoorde van de Vredesprijs. Mijn ouders behoorden tot de Kikuyu-stam, een goed opgeleide etnische groepering. Daarmee doel ik met name op de mannen.

Vrouwen werden geacht afhankelijk en onderdanig te zijn, en dat terwijl ze altijd het fysiek zwaarste werk deden. Ik kom uit een gezin van zes kinderen. Mijn oudste broer pakte me dagelijks enthousiast bij de hand om me mee naar school te nemen. Hij wilde dat ik hetzelfde leerde als hij. Mijn ouders stemden er uiteindelijk mee in. Ik kom uit een progressief gezin, maar ik denk niet dat het mijn ouders zelf ooit op het idee gekomen waren me naar school te sturen. Ik heb dus veel aan mijn broer te danken. Mijn ouders leven niet meer, maar oh wat zou mijn moeder nu trots op me zijn geweest.”

In 1971 was Maathai de eerste vrouw in Kenia die promoveerde. Ze was toen 31 jaar oud. Vijf jaar later werd ze de eerste vrouwelijke professor van de Universiteit van Nairobi. ,,Bij alles wat ik meemaakte, zat een vleugje geluk. Het proefschrift voor mijn Masters in Amerika ging over een speciale huidweefselanalyse, waarmee ik me onderscheidde van andere academici in Kenia. Ik heb geen moment gedacht dat ik in Amerika zou blijven, ik wist dat ik terug naar huis moest om mijn bijdrage te leveren. Ik wilde assistent in opleiding worden, het maakte me niet eens zoveel uit waarin. Als ik mijn academische niveau maar verder kon ontwikkelen. Ik solliciteerde naar een baan als onderzoeker, ergens in een steppe. Moet je voorstellen: was ik aangenomen, dan had niemand me meer gezien, dan zat ik waarschijnlijk nu nog in de woestijn. Ha, ha, ha.”

Maar de baan ging naar een man. Voor vrouwen was in de academische wereld op dat moment weinig plaats. ,,Alles veranderde toen ik als enige geschikt bleek voor de baan als research assistent voor Rhino Hoffman, een Duitse professor die net bezig was een departement voor veterinaire geneeskunde op te zetten binnen de Universiteit van Nairobi. Hij is nog altijd mijn mentor en goede vriend. Mijn Keniase collega’s hadden veel meer moeite met me. Herhaaldelijk vroegen ze of mijn doctorstitel echt was of een grap. Niet vreemd natuurlijk, ze hadden nog nooit gehoord van een afgestudeerde Keniase vrouw.”

Als biologe ontdekte ze Kenia’s grootste armoedeprobleem: ontbossing. Tussen 1950 en 2000 verdween door wanbeleid negentig procent van alle bossen, de aarde droogde uit en vrouwen moesten steeds verder zoeken naar hout en water. ,,Ik was lid van de Nationale Vrouwenraad van Kenia en sprak als zodanig met vrouwen in het hele land. Houtgebrek was hun grootste zorg. Ik was sinds 1969 getrouwd met Mwangi, een succesvolle zakenman die in 1974 werd gekozen in het Keniaanse parlement. Ik probeerde hem ertoe te bewegen zoveel mogelijk bomen te planten, maar eenmaal in de regering leek hij die noodroep te zijn vergeten. Ik realiseerde me dat de verantwoordelijkheid niet bij de overheid moest worden gelegd, maar bij het volk.”

Op 5 juni, Wereld Milieudag, in 1977 plantte Maathai zeven bomen en richtte ze de Green Belt Movement (GBM) op. ,,Het waren er zeven, omdat ik ze wilde opdragen aan mensen in mijn omgeving die een belangrijke bijdrage hadden geleverd. De omringende dorpen kwamen met zeven namen, zodoende werd met die hoeveelheid bomen de GBM geboren.” Doel van de beweging was Afrika’s bossen te herstellen en te vechten voor het behoud van het weinige groen dat nog over was. Geen gemakkelijke opgave voor een organisatie die werd uitgelachen en tegengewerkt door de regering van de hardvochtige president Daniel arap Moi. Bomen planten was een taak voor getrainde boswachters, luidde het oordeel, niet voor brutale vrouwen als Maathai.

,,Ik heb mezelf nooit toegestaan bang te zijn. Ik ben geschopt, geslagen, met traangas bespoten, herhaaldelijk in de gevangenis beland zonder te weten of ik ooit nog vrijkwam, maar ik leerde mijn angst onder controle te houden. Anders ben je verloren. Als je denkt dat je zult sterven, dat je je rechten verliest, dat je ontslagen wordt, dan concentreer je je op de consequenties. Maar als je focust op wat je wilt bereiken, dßn pas stap je ergens binnen waar anderen niet durven komen.”

Maathai weigert zichzelf dapper te noemen. En toch heeft ze met gevaar voor eigen leven gewerkt aan een betere toekomst voor anderen. ,,Het gaat er niet om dat ik dapper ben, of dat ik de consequenties van mijn activiteiten niet inzie. Ik heb gewoon geweigerd de angst te omarmen die zovelen tegenhoudt hun doel te bereiken. Degenen onder ons die dat begrijpen, die zich sterk voelen, mogen niet moe worden. We mogen niet opgeven, we moeten doorgaan. Telkens als ik werd geslagen of vast kwam te zitten, dacht ik aan de vrouwen voor wie ik me inzette. Zij wisten dat waar ik voor stond, goed voor ze was.”

Minder steun kon ze verwachten van haar echtgenoot. ,,Mwangi kon net als elke Keniaanse man niet wennen aan mijn ambities. Ik weet niet of het aan hem knaagde dat ik hoger opgeleid was dan hij; eerder leek hij teleurgesteld dat iemand met zoveel universitaire kwaliteiten boomzaadjes in de grond stopte. Hij begreep niet waar ik mee bezig was. Hij had graag een vrouw gehad die meegaand en onderdanig was. We zijn gescheiden in 1980, het was een pijnlijk en vernederend proces. Ik heb mijn ex-man al een tijd niet gesproken, wel stuurde hij me een telegram met felicitaties voor de Nobelprijs. Dat is toch een mooi gebaar.”

Maathai kan nog steeds goed overweg met haar drie kinderen. Dochter Wanjira reisde mee naar de prijsuitreiking in Oslo. ,,Dat was zo belangrijk voor me. Ik ben er niet altijd geweest voor mijn kinderen, vind het daarom erg mooi dat ze er desondanks wel voor mij willen zijn. Mijn kinderen waren nog erg jong toen ik vocht voor bosbehoud en vrouwenrechten. Zij begrepen niet waarom ik zo vaak afwezig was. Ik was standvastig en gehard, vechten voor de zaak was een groot goed waar ook de kinderen voor werden opgeofferd. Het is in Nairobi heel makkelijk om hulp in de huishouding te krijgen, zodoende konden de kinderen worden opgevangen terwijl ik in de gevangenis zat. Dan had ik het wel moeilijk, ja. Dan voelde ik h·n pijn. Maar het gevoel dat ik niet meer terug kon, overheerste. Toen mijn kinderen meerderjarig waren, stuurde ik ze naar Amerika om ze beter onderwijs en een rustiger leven te geven.”

De Green Belt Movement plantte drie miljoen bomen in Kenia, met een subliem eenvoudige methode: vrouwen planten gratis ontkiemde inheemse boompjes en ontvangen een bescheiden geldsom voor elke boom die langer dan drie maanden leeft. ,,Steeds meer mensen zeggen: ‘Waarom moest Maathai lijden voor zo’n goede zaak?’ De wereld luistert gelukkig, begrijpt wat er op politiek vlak moet gebeuren voordat een boomzaadje kan worden geplant. Je moet weten dat het in Kenia verboden was om mensen te mobiliseren of te onderwijzen. Geinformeerde mensen zijn immers moeilijker in bedwang te houden. Hoe kon ik vrouwen leren een jonge boom te onderhouden als we niet eens bij elkaar mochten komen? We moesten wetten veranderen, voordat we door konden gaan met ons werk. Niemand zal ooit zeggen dat het goed is om te lijden, maar de Nobelprijs maakte dat zeker de moeite waard.”

Maathai zag in dat er een relatie bestond tussen lokale en globale problemen. Met haar opleiding schudde ze vrouwen wakker, spoorde ze hen aan hun stem te verheffen als ze het ergens niet mee eens waren, op te komen tegen de regering of dominante echtgenoten. Een gefrustreerde president Moi verklaarde dat het on-Afrikaans is voor een vrouw om mannen uit te dagen of tegen te spreken. Hij noemde de Green Belt Movement ‘een club slecht ingelichte, gefrustreerde, gescheiden vrouwen’, en riep de vrouwelijke bevolking op ‘het schaap dat van het rechte pad is geraakt, te disciplineren’. Daarmee doelde hij op Maathai. Een parlementslid wilde zelfs zover gaan een vloek over haar uit te spreken.

,,Ik waagde het in 2002 om me kandidaat te stellen voor het parlement en kreeg in mijn kiesdistrict 98 procent van de stemmen . Dat was geweldig, ik voelde voor het eerst dat er iets stond te gebeuren. Ik had zo lang gevochten, nu zou ik dat eindelijk op regeringsniveau kunnen omzetten in daden. Vrouwen dansten in de straten van Nairobi. Het was een wonderlijk gevoel. Op zulke momenten merk ik dat mijn jarenlange strijd mijn hart niet taai heeft gemaakt: ik ben nog steeds emotioneel. Als mensen me feliciteren met dikke tranen in de ogen, nou dan begin ik ook een potje te janken hoor. Op het podium in Oslo had ik ook natte wangen. Ik kan huilen om hele intense dingen, maar ik kan ook huilen om niks. Bevrijdend is dat.”

Parlementariers die haar bloed wel konden drinken, hebben nog altijd moeite met de voormalige dissident, die nu het ministerie van milieu bestiert. ,,Ik werd altijd neergezet als ‘die wilde vrouw’. Ik vecht nog met dezelfde mensen als voorheen, alleen dan op democratische wijze. Ik moet daar nog erg aan wennen. Sommige Kamerleden die me vroeger het leven zuur maakten, komen nu naar me toe met opmerkingen als: ‘Mensen begrijpen jou niet. Ze beoordelen je verkeerd.’ Ik denk dat ze het dan nog steeds over zichzelf hebben.”

Enkele weken na Maathais aantreden als onderminister van milieu, moest Moi opstappen, na ruim twintig jaar presidentschap. Miljoenen kiezers vonden het tijd voor een nieuw bewind en stemden voor de oppositie. De nieuwe president Mwai Kibaki en zijn Nationale Regenboogcoalitie (Narc), winnaar met 125 zetels, kregen de zware taak om de erfenis over decennia van wanbeleid en verwaarlozing ongedaan te maken. Maathai mocht, naast de milieu portefeuille, ook helpen met het schrijven van Kenia’s nieuwe grondwet. ,,Het wordt een heel andere dan de huidige grondwet. Niet alleen omvat het de rechten voor mensen, ook die van dieren komen aan bod. Evenals het milieu.”

BIOGRAFIE WANGARI MUTA MAATHAI
Geboren: 1 april 1940 in de White Highlands,
gescheiden moeder van een dochter en twee zoons

1964: Doctorandus in Biologie, VS
1966: Masters in Biologische Wetenschappen, VS
1971: Doctoraat in Microanatomie, Kenia
1973-1980: Directeur Keniase Rode Kruis
1977-2002: Grondlegger en coordinator Green Belt Movement
2002-heden: Kamerlid namens kiesdistrict Tetu, regio Nyeri
2003-heden: Onderminister van Milieu en Natuurlijke Bronnen

- Lid van de VN-raad voor Ontwapening, de VN-commissie voor Globaal Bestuur, de Earth Charter Commissie en het selectiecomite voor de Sasakawa Milieuprijs van het VN Milieuprogramma
- Bestuurslid Nationale Vrouwenraad van Kenia, Women’s Environment and Development Organization, World Learning for International Development, Internationale Groene Kruis, Environment Liaison Centre International en Wereldwijde Netwerk van Vrouwen in Milieuwerk

Bio auteur:Esther Gotink woont sinds een aantal jaar in Londen, waar ze werkt voor het Nederlandse persbureau GPD. Daarvoor was ze freelancer voor onder meer Trouw en Viva.

http://www.blogger.com/profile/14486722108925751321

Moby – Ik houd mezelf altijd een spiegel voor

november 16, 2009

Zijn keuze om de anonimiteit van festivals te ontvluchten en terug te keren naar lange uitgaansnachten in zijn geliefde stad, was logisch. De moderne stedeling voelt zich immers vooral in zijn stad thuis. Zo ook Moby,  die in New York zijn muzikale identiteit opnieuw ontdekte. ‘Sommige artiesten geloven echt in zichzelf, alsof ze het succes ook daadwerkelijk verdienen. Voor mij is alles nog steeds vreemd en onwennig.’

Hoe is het om Moby te zijn?

‘Dat is een grote vraag. Weet je: soms is het goed, soms is het slecht. De waarheid zal wel zijn dat het geweldig is, maar om de een of andere reden – geen idee of dat aan een soort van white guilt (red, schuldgevoel van blanken over racistische behandeling van minderheden tijdens kolonisatie) ligt of aan iets anders – vind ik het moeilijk te accepteren dat ik het goed heb. Gewoon tevreden en in het algemeen gelukkig zijn. Dat zijn niet mijn sterkste kanten. Ik voel me soms als Woody Allen. Zelfs als het mee zit, zit het tegen.’

Je bent op deze tour vooral deejay, en wat minder artiest.

‘Ik was een aantal jaren geleden op tournee en ik speelde shows voor 10.000 mensen. Maar ik merkte dat ik er niet echt gelukkig van werd. Het optreden was leuk, maar het leven in een tourbus en zo ver van huis zijn ging behoorlijk snel vervelen. Na de tour besloot ik om in New York in hele kleine clubs te gaan draaien. Ik merkte dat ik voor tweehonderd mensen draaien eigenlijk leuker vond dan voor 10.000. Dus nu ben ik als deejay op tournee,  wat afwisselender en gemakkelijker is. Elke dag heeft een totaal andere invulling, heel prettig.’

Je doet zelfs akoestische sets.

‘Dat is iets nieuws, maar in New York heb ik bijvoorbeeld ook met een rockbandje gespeeld en zo nu en dan doe ik mijn eigen minifestival met een live optreden. Het is juist die afwisseling die zo prettig is. Maar weet wat je wat? Ik klaagde net over toeren, maar daar voel ik me nu al een ongelooflijke eikel over.  Het is de droom van elke muzikant om een platencontract te tekenen en vervolgens op tournee te gaan. Ik wil eigenlijk helemaal niet zeuren. Maar je moet elke dag die bus in waardoor elke dag er hetzelfde uit ziet. Dat is na een wat langere periode gewoon niet leuk meer.’

Je onlangs verschenen album Last Night is geïnspireerd op het New Yorkse nachtleven.

‘Ik ging het afgelopen jaar zowat elke dag uit en kwam in contact met pure elektronische dansmuziek. Dat inspireerde me enorm. Ik hoorde dj’s, vaak twintigers, naast nieuwe muziek ook veel oude platen draaien. Innercity, maar ook MSTRKRFT. Die mengeling vond ik geweldig. Op die gedachte hinkt het album ook. Het is moderne elektronische dansmuziek, maar kent verwijzingen naar het verleden.’

Elke dag uitgaan. Hoe beleef je zoiets?

‘Amsterdam is een van de weinige plekken waar mensen begrijpen hoe het uitgaan in New York in elkaar zit. Café’s sluiten daar pas om vier uur. Maar in de meeste steden sluiten kroegen al heel vroeg en moet je met de auto naar het uiteinde van de stad om nog wat leuks te doen. Zowel in New York als in Amsterdam kan je heel goed wandelen of met de metro naar een club of een andere tent. Ik woon in de Lower East Side vlakbij Williamsburg, waar echt duizenden uitgaansgelegenheden bevinden. Opblijven tot vijf uur is voor mij heel normaal. Uitgaan is voor mij naar een feestje bij iemand thuis, daarna naar een bar en vervolgens naar wat clubs. Op een goede avond wandel je van de ene naar de andere hoek, en kom je rustig in vijf verschillende tenten.’

Zie je jezelf stiekem nog wel eens als een punkrocker?

‘(lacht) Nou, dat zou ik wel willen maar of ik dat nog ben, is maar de vraag. Ik heb me bijvoorbeeld heel lang verzet tegen het kijken van televisie, juist omdat ik me een echte punker voelde en altijd dacht dat televisie het kwaad symboliseerde. Maar de laatste jaren heb ik geleerd dat televisie kijken best leuk kan zijn. Ik heb zelfs een dvd-speler gekocht om tijdens het toeren de verveling te doden. Ik kijk nu naar 30 Rock, Een grappige serie, dat zich in New York afspeelt. Het ademt echt de stad, heel herkenbaar allemaal.’

Hoe is het met de stad?

‘New York is natuurlijk een hele enerverende plek om te wonen. Ik heb er waarschijnlijk al teveel tijd van mijn leven aan besteed. De stad is de laatste twintig jaar ongelooflijk veranderd. Ooit was het een hele donkere, gevaarlijke plek en nu is het heel open en duur. Natuurlijk gebeurt er veel, er is veel kunst en er zijn veel interessante mensen. Maar er zijn straten in mijn buurt waar je twintig jaar geleden niet veilig door heen kon wandelen, waar nu gebouwen staan die negen miljoen dollar waard zijn. De stad kent een soort gentrification on steroids. Het probleem is dat Manhattan niet groter wordt. Dus de huizen daar worden, onder invloed van een zwakke dollar, alleen maar duurder. New York wordt dan ook steeds meer gevuld met mensen uit het buitenland die daar huizen kopen. Japanners, Europeanen en Zuid-Amerikanen die profiteren van de economische situatie.’

Kan je zeggen dat daarmee de attitude van de stad is veranderd?

‘Omdat het zo duur is, is eigenlijk iedereen al naar Brooklyn verhuisd. Daar is het groter, staan kleinere huizen en is het minder duur. Ik ken geen jonge, creatieve mensen, muzikanten of artiesten die in Manhattan wonen. (met een cynische lach) Dat gedeelte van de stad is voor oude, succesvolle mensen, zoals ik.’

Probeer je met MobyGratis.com wat terug te doen voor dat andere gedeelte van de stad?

‘Ik heb veel vrienden die in de independent filmwereld actief zijn, en die klagen altijd over het feit dat ze de muziek voor hun films niet gelicenseerd krijgen. Het is te duur of mensen bij platenmaatschappijen nemen de telefoon niet op of bellen niet terug. Met Mobygratis geef ik ze een platform voor gratis muziek. Als ze de film vervolgens commercieel willen exploiteren, gaat het geld dat zij voor de muziek zouden moeten betalen naar een goed doel. We hebben er nog niet zoveel promotie voor gedaan maar zitten op dit moment al op zo’n vierduizend korte films. Het is grappig dat er soms op straat of op een vliegveld een filmmaker op me afstapt om me te bedanken. Dat geeft op de een of andere manier een ander gevoel dan wanneer er een fan langskomt om me te bedanken.’

Is film iets waar je meer mee zou willen doen?

‘Ik ben egoïstisch. Mijn doel is om muziek te maken waar mensen naar luisteren. Of dat nu albums uitbrengen, muziek gratis weggeven of muziek voor film maken is, maakt mij niet zoveel uit. Ik zou graag meer soundtracks maken, maar alleen als het ook echt interessant is. Het idee om stereotype, clichématige muziek voor een film te moeten maken, spreekt me niet echt aan.’

Is het gratis op internet ter beschikking stellen van volledige albums op internet uiteindelijk niet onvermijdelijk?

‘Mobygratis is heel experimenteel allemaal, platenmaatschappijen doen er nog steeds erg moeilijk over en snappen het niet echt. Maar begrijpen doe ik dat wel. Ze vallen op dit moment uit elkaar, dus het laatste wat ze willen is dingen gratis weggeven. Er is een zekere paniek in de muziekindustrie, mensen zoeken naar oplossingen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar wat Radiohead onlangs heeft gedaan: eerst het album op internet uitbrengen en mensen vervolgens de keuze geven wat ze ervoor willen betalen om het daarna toch commercieel te exploiteren. Ik bekritiseer ze niet, maar dat was gewoon marketing. Als ze het echt gratis weg hadden willen geven, dan hadden ze dat wel gedaan.’

Ik las op je Myspace blog dat je de Dalai Lama onlangs hebt ontmoet en dat je niet wist waar je het met hem over moest hebben.

‘Mijn label belde me op en vroeg of ik zin had om de Dalai Lama in Philadelphia te ontmoeten. Mijn vriend Serge (red, Serge Tankian van System of a Down), Katie Tunstall en Joss Stone – die ik beiden nog nooit had ontmoet – gingen tegelijkertijd mee. Dus ik dacht, waarom niet. Toen we daar aankwamen dook Snoop Dogg ook ineens op. Toen realiseerde ik me wat een vreemd en divers gezelschap het eigenlijk was. Nou had ik de Dalai Lama nog nooit gesproken en wist niet zo goed of ik nou juist serieuze of grappige vragen aan hem moest stellen. Het werd een combinatie. Hoewel hij een goed gevoel voor humor heeft, kwam hij uiteindelijk heel academisch op mij over. Hij leek eerder een schoolmeester dan een spirituele leider. Hij gaf me hele weloverwogen, analytische antwoorden.’

Is jouw leven eigenlijk niet heel erg opmerkelijk? Je komt uit een arm gezin waarin elk dubbeltje omgedraaid werd. Nu zit je in een van de duurste hotelkamers van de stad.

‘Om heel eerlijk te zijn, vind ik het hier (red, Amstel Hotel) maar niks. Het is niet echt comfortabel. Als een plek waar mijn grootmoeder zou overnachten. Het voelt als een huis voor oudjes. Maar weet je wat eigenlijk heel vreemd is? Ik zit al zolang in hotelkamers, ze vallen me eigenlijk niet eens meer op. Voor mij kan dit het duurste hotel van Amsterdam zijn, of een normaal hotel. Ik zie het niet meer. De waarheid is waarschijnlijk dat ze allemaal een beetje op elkaar lijken. Ze hebben een bed, televisie en een bank. Ik denk dat het enige verschil is dat ze heel erg oude spullen hebben staan of nieuwe meubels. De enige eisen die ik aan een hotelkamer stel zijn; rust, de airco moet goed zijn en gratis internet. Ik word gek van luide, hete kamers zonder internet.’

Je schrijft trouwens erg grappig. Nooit overwogen om daar iets mee te gaan doen?

‘Ik schrijf alleen leuk als ik niet leuk probeer te schrijven. Het is ook wat lastig dat mijn over-over-overgrootvader Herman Melville Hall (red, schrijver van Moby Dick) is. Dat schept toch verwachtingen. Mijn moeder was een heel erg goede schilderes. Toen ik opgroeide, wilde ik dus nooit schilderen, want dat deed zij al. Datzelfde geldt wat mij betreft voor schrijven. Ik doe liever niet wat mensen in mijn familie – ook mijn ooms en tantes waren schrijvers – al hebben gedaan. Maar ik koos in mijn jeugd vooral voor muziek omdat het de kunstvorm was die mij op emotioneel gebied het meeste raakte.’

Wat denkt Moby, als hij nu de videoclip van ‘Go’ terugziet?

‘Als ik naar oude clips terugkijk, zie ik bij sommige video’s vooral veel haar. In die tijd had ik namelijk nog wat op mijn hoofd. Als ik naar ‘Go’ kijk, wat zo’n twintig jaar geleden was, dan realiseer ik me dat mijn leven eigenlijk heel erg hetzelfde is gebleven. Dat maakt me enigszins depressief. Je vraagt je af: moet ik niet ergens anders leven? Wordt het niet tijd voor iets anders? Het is eigenlijk al twintig jaar hetzelfde doen: muziek op mijn slaapkamer maken en op tournee gaan. Sommige platen verkochten honderd exemplaren waarna ik voor vijftig man in een bar optrad, sommige platen miljoenen waardoor ik voor tienduizend man stond te spelen. Maar de dagelijkse invulling is al jaren hetzelfde. Er is dus geen verschil. Nou ja, behalve dat haar dan.’

Je bent volgens mij nog steeds dezelfde persoon als twintig jaar geleden.

‘Ik ben in de jaren ’80 bij een punk rockband begonnen en een van de dingen die je dan leert is dat je jezelf nooit te serieus moet nemen. Ik had in die tijd nooit gedacht dat ik een platencontract zou krijgen, laat staan platen zou verkopen of een muziekcarrière zou hebben. Alles is nog steeds vreemd en onwennig voor mij. Begrijp me niet verkeerd, ik vind het geweldig om hier met jou te zitten, maar ik ga er niet vanuit dat mensen met mij willen praten, dingen van mij willen weten of geïnteresseerd in mij zijn.’

Je bent het tegenovergestelde van de gemiddelde Amerikaanse rapper.

‘Als ik naar andere muzikanten kijk, zijn sommigen zich echt teveel van zichzelf bewust. Ze verwachten als het ware dat mensen met hen willen praten. Voor mij is het, ook al doe ik het al zo lang, nog steeds een onverwachte verrassing. Ik heb geen beroemde vrienden, maar laatst was ik uit met bekende muzikanten en realiseerde ik me in hoeverre hun wereld verschilt met die van mij. Ze geloven echt in zichzelf, alsof ze het succes ook echt verdienen. Een persoon die mij heel erg intrigeert is Kanye West. De wijze waarop hij overkomt is redelijk intellectueel te noemen. Je kan zien dat hij niet dom is, de manier waarop hij als producer samples in zijn muziek inpast is heel handig. Maar tegelijkertijd is hij zo ontzettend vol van zichzelf. Ik zat met open mond te kijken toen hij tijdens de VMA’s op het podium sprong om een award op te eisen, die hij niet won. Vooral zijn argument was boeiend: zijn clip was miljoenen duurder dan die van Justice dus moest die clip winnen. Wat voor
beeld heb je dan van jezelf?’

Wat heb jij voor beeld van jezelf?

‘Omdat ik al zo lang in de business zit weet ik dat er ups en downs zijn in je carrière. Als je eerste album heel succesvol is, en je denkt vervolgens dat je dat verdient, creëer je voor jezelf een hele gevaarlijke situatie. Toen ik Pharrell zo’n zeven jaar geleden een hand wilde geven op een of andere party– ik had een van zijn nummer geremixt – werd ik eerst weggeduwd door zijn bodyguard. Ze waren echt heel erg gemeen. Dus ik had zoiets: oké, prima. Dan niet. Toen kreeg iemand ineens door dat ik Moby was en kreeg ik snel een glas champagne en een handdruk van hem. Toen dacht ik wel: was ik vijf minuten geleden niet precies dezelfde persoon die je wegduwde? Veel mensen nemen zichzelf en de muziekindustrie veel te serieus. Niemand is, behalve als je Bono of Jon Bon Jovi heet, echt lang actief in de industrie. Je moet dus een beetje uitkijken hoe je je gedraagt. Ik houd mezelf altijd een spiegel voor. Moby, denk ik dan. Is dat niet die vreemde, kale gast die muziek in zijn
slaapkamer maakt en op de een of andere manier een platencontract heeft gekregen?’

Meer achtergronden over het interview met held Moby: http://www.crazybirds.nl/blog/detail/mr-nice-guy

Interview is geplaatst in Blend Magazine (september, 2008)

Tekst: Gijs van der Togt (www.crazybirds.nl)

Youp van ‘t Hek – Aardige mensen inspireren me

november 16, 2009
fotoyoupDoor Willem van Leeuwen

De centrale boodschap in de shows van Youp van ’t Hek kun je vrijwel steeds omschrijven als ‘leef uitbundig’. Denk aan zijn befaamde slogan: ‘Leef je leven als het allerlaatste uur.’ Voor Balance Sheet zet de cabaretier op een rij wat hem zowel in zijn werk als dagelijks leven gaande houdt. ‘Ik heb me van kindsaf al verwonderd’.
 
Datum: 23 november 2007
Tijd: 17 uur
Plaats: Artiestenfoyer van theater Carré in Amsterdam
 
‘Uitbundig leven dat lukt mij vrij goed, maar ik heb natuurlijk ook een makkelijk bestaan. Ik werk weliswaar hard, maar mijn zalen zijn vol, ik sta met plezier op het podium. Verder kan ik van mijn eigen woorden mijn werk maken. Ik zet die woorden in een bepaalde volgorde verpak ze vervolgens in een show of in een column en er komen heel veel mensen op af. Al 25 jaar. Als ik ’s nachts na een show naar huis rijd en ik zie de jongens aan de weg werken, dan denk ik: ik zou niet willen ruilen. Mijn boodschap is grotendeels steeds dezelfde: je mag hier even rondlopen en dan ben je heel lang dood, dus maak er wat van. Leef uitbundig. Uitbundig leven verzin je grotendeels zelf. Er zijn mensen die hun halve leven bij de psychiater op de bank doorbrengen en hun moeder de schuld geven van alle shit, maar je bepaalt het meeste toch wel zelf hoor. Uitbundig leven is vooral een kwestie van dingen níet doen. Dus vooral niet zeuren en geen dingen doen, waar je geen plezier uithaalt. Daar wordt je wel een beetje asociaal van, maar anderen hebben dan tenminste geen last van je.’
 
‘Ik houd de mensen een spiegel voor. Dat is mijn vak. Daarvoor kijk ik rond, ik signaleer, ik verwonder me. Waarover? Te veel om op te noemen. Bangladesh wordt weggeblazen en Koenders geeft een schamele één miljoen. Een miljoen terwijl er een Betuwelijn ligt weg te rotten. Dat verbaast me enorm. De graaicultuur verbaast me ook, net als de voetbaltrainers die halverwege het seizoen de trein nemen naar een andere club. Verder hebben we in ons land te kampen met een soort emotie-inflatie. Stel, ik ga morgen dood, wat gebeurt er dan? Dan pakt Jan de Boer uit Kruiningen zijn laptop, gaat naar www.condoleance, tikt een briefje met: ‘ik wens Debby Petter veel sterkte met het verlies van haar man’, en hij drukt op ‘verzend’. En dat doen vervolgens 35.000 mensen. Dat is toch verbazingwekkend? Iedereen heeft tegenwoordig wat te melden dankzij internet en email, maar feitelijk gaat het over hetzelfde als waar het in de kroeg over gaat. Nergens over.’
 
Wanhopig
‘Ik heb me altijd verwonderd, van kindsaf aan. Toen ik twaalf was nam de terreinknecht van de hockeyclub na 25 jaar afscheid met een receptie in het clubhuis. Die man had een wens om met zijn vrouw een keer een grote reis te maken, maar daarvoor ontbrak het geld. Dus werd er een collecte gehouden onder de leden, rijke mensen uit ’t Gooi. De terreinknecht kreeg uiteindelijk een envelop met 750 gulden. Ik stond in de kantine en keek om me heen. Er waren vierhonderd  gasten aanwezig. Die hadden dus nog geen twee piek per persoon gegeven. Ik zeg dat verbaasd tegen mijn vader en die zegt tegen mij: ‘ja jongen, zo gaat dat en dan heb ik nog vijftig gulden gegeven, mag je weten’.
 
Fris en alert
‘Mijn inspiratie, de inspiratie die me een plezierig leven bezorgt, haal ik uit van alles: reizen, boeken en kranten lezen, naar het Concertgebouw. Neem de laatste roman van Ian mcEewan ‘ On Chesil beach’, geweldig boek. Maar ook de laatste gedichten van Remco Campert zijn prachtig, of ‘Dit boek redt je leven’ van A.M. Homes, over een man die zijn leven radicaal verandert. Ik loop de hele dag te tanken, te zoeken, snuffelen, uitproberen. Ik probeer goed contact te houden met mijn kinderen en ik ga ook naar Paul de Leeuw. Kortom, ik wil op de hoogte blijven en me verwonderen, want dat houdt me fris en alert. Maar als een ander inspiratie haalt uit het onderhouden van zijn tuin, of uit het sparen van coladoppen, houwen zo, hoor, zou ik zeggen. En als hij en zij op zondagmiddag samen hun Gaastra-jack aantrekken om met de labrador langs het strand te gaan wandelen, dan ben ik de laatste die er iets tegen heeft. Als ik maar niet meehoef. Ja, ik ga ze er wél weer van langs geven in mijn show en als ze me dan ook nog gelijk geven, dan zijn het ook sufferds. Als ze zeggen ‘bekijk het maar lekker Youp’, dan vind ik dat ook prima.’
 
Mooie gesprekken
‘Iets voor een ander doen, voor zwakkeren en zieken, het hoort erbij, zeker als het om kinderen gaat. Ik ben onder meer ambassadeur voor de Beatrix Kinderkliniek in Groningen. Als ik in de buurt ben, ga ik langs en praat met die kinderen. Vaak mooie gesprekken waar ik plezier aan beleef. Soms ook trieste, want je ontmoet ook kinderen die nog maar kort hebben te gaan. Maar ook dan ontleen ik meestal iets positiefs aan een praatje. Het liefst geef ik aan die betrokkenheid geen ruchtbaarheid, behalve als een camera een hoger bedrag voor het goede doel oplevert. Op de een of andere manier wil ik het zuiver proberen te houden.
Toen mijn ouders kort na elkaar waren gestorven, nu vijftien jaar geleden, heeft het verdriet heel lang aan me geknaagd. Achter mijn ogen en in mijn borst. Dat verdriet ging op den duur over in een heel prettig gevoel, iets dat ik koesterde. Dat kwam omdat het zulke fijne, aardige mensen waren geweest. Ik merk dat ik me graag laat inspireren door aardige mensen. Ik ben ook goed in het verzamelen van aardige mensen om me heen.
Waar het om draait in het leven? Mijn laatste show sluit af met een gedicht dat zo eindigt: ‘het is een droom om zo te dromen/ik weet dat ik nu overdrijf/ maar weet u wat mijn mooiste droom is?/Dat ik altijd wakker blijf.’ Wakker blijven in de zin van het eeuwig leven hebben, maar ook in de zin van: alert zijn, waakzaam zijn, zien wat er aan de hand is, wat er werkelijk met ons gebeurt.’

Dit artikel is eind 2007 gepubliceerd in het magazine Balance Sheet

Atlete Lornah Kiplagat over haar echte droom

november 16, 2009
fotoKiplagat

fotograaf: Marieke vd Velden

Door Willem van Leeuwen

‘De veranderingen in Afrika moeten van de meisjes komen’

De missie van atlete Lornah Kiplagat reikt verder dan het winnen van medailles met hardlopen. Die zijn eerder een middel om haar echte droom te verwezenlijken: emancipatie van vrouwen in Afrika. In Iten in Kenia –zo’n 500 kilometer ten noorden van Nairobi- runt ze samen met haar partner het High Altitude Trainings Centre. Hier krijgen talentvolle jonge vrouwen de kans om te sporten én een opleiding te volgen. ‘Vrouwen dragen de economie in Afrika’.

‘In de trainingskampen in Kenia in mijn jeugd heb ik vaak meegemaakt dat mannen, Afrikaanse atleten, me opdroegen klusjes voor ze te doen. Ze namen mij als vrouw volstrekt niet serieus. Ze zeiden dan dat ik hun kleding moest wassen, of ze smeten hun hardloopschoenen naar me toe om schoon te maken. Maar ik heb altijd mijn hoofd geschud:it doesn’t work that way, man. Ik kon dat gedrag niet uitstaan, het maakte me woedend. Het sportklimaat voor vrouwen in Kenia was zo slecht dat ik in de jaren negentig naar Europa ben vertrokken. Wel heb ik me toen voorgenomen dat ik, als ik prijzengeld zou winnen, zou terugkeren naar mijn geboortegrond om iets te doen aan de ongelijke situatie tussen mannen en vrouwen. Ik won prijzen en ben in 1997 teruggekomen, met mijn partner en zaakwaarnemer Pieter Langerhorst.’

‘Iten is nu booming en dat komt toch vooral dankzij ons Trainings Centre. Het was een behoorlijke gok om onze plannen juist hier, in the middle of nowhere, te verwezenlijken. Voor 1997 was Iten een doodstil oord, met nauwelijks economische activiteit. Er gebeurde eigenlijk helemaal niets. Maar we waren nog niet begonnen met bouwen of de mensen uit de streek gingen ook aan de slag. Het leek wel of iedereen heeft gewacht op dat ene moment dat iemand durfde te investeren. Iten groeit maar door. Er worden gewassen verbouwd, fruit gekweekt, er zijn winkeltjes gekomen. Keniaanse atleten die eerst bij ons hebben getraind, kopen hier nu stukjes grond in de buurt en bouwen er een huisje voor zichzelf. Dit is zo belangrijk voor Kenia: dat atleten, die in het buitenland prijzengeld hebben verdiend, uiteindelijk weer hierheen komen en dat geld investeren. Het gaat allemaal niet zo snel, maar het is als een steen die van een berg rolt, hij gaat steeds harder.’

‘Omdat ik de helft van het jaar in Nederland woon en de andere helft in Iten, kan ik twee werelden vergelijken. In Nederland wordt harder gewerkt, vooral door mannen. Hier moeten we het van de vrouwen hebben. Zie je hier ooit een vrouw op een muurtje zitten te niksen? Nooit. Vrouwen dragen de economie in Afrika. Stel je voor dat de mannen net zo hard zouden werken als de vrouwen, dan hadden we een onvoorstelbare welvaart. Maar mannen zijn lui. Of lui, het lijkt wel of ze zich niet realiseren dat hard werken goed voor je is. They just don’t get it. Dan loop ik langs zo’n groepje mannen die niet meer doen dan een beetje dom kletsen onder een boom, en dan heb ik echt de neiging om ze toe te roepen: ‘Jesus, get your butt up and do something!’ Socializen is prima, maar dan wel na het werk.’

‘Ik heb het geluk gehad, dat ik in een progressief gezin kon opgroeien. Mijn broers moesten thuis net zo goed de handen uit de mouwen steken als ik. Mijn vader wilde ook niet dat ik werk voor mijn broers deed. Een nog groter geluk was dat mijn broers dat begrepen en accepteerden. Ze hebben me nooit voor hun karretje gespannen, we hielpen samen bij het werk in en om het huis. Ooit zag ik mijn broer bezig met het verzamelen van brandhout op het land – een uitgesproken vrouwenklus- en ik herinner me dat ik toen even gloeide van trots. Hij voelde zich niet te goed voor dat zogenaamde vrouwenwerk. Hun houding heeft me enorm gemotiveerd, want ik dacht: als mijn broers ook het dagelijkse werk kunnen doen, waarom de rest van de Afrikaanse mannen dan niet? Het is een kwestie van mentaliteit.’

‘De bouw van het trainingsinstituut was een zware klus. Er was helemaal niets op deze plek. De stenen moesten met de hand uit de rotsen worden gehakt. Er liepen hier zo’n zestig werklieden rond, die in het begin niet konden geloven dat ik hun baas was en dat ze door mij werden betaald. Ze accepteerden het niet. Ik zei ze: ‘Ik ben degene die de opdrachten geeft en als dat je niet bevalt, dan kun je gaan’. Het duurde precies één week voordat ze gewend waren aan dat rare idee dat een vrouw ook de baas kan zijn. Toen was het over en hadden ze respect voor me. Sommigen van die mannen werken hier nu nog. Wat zegt dit nu? Het zegt dat er in dit land wel degelijk dingen kunnen veranderen. Als het moet in een week.’

‘Met ons trainingscentrum trekken we jonge talenten en topatleten uit de hele wereld die gebruikmaken van onze faciliteiten, die genieten van de natuur en die profiteren van de ijle lucht. We zijn hier immers op 2400 meter hoogte. Met de inkomsten hieruit kunnen we onze ideële doelen financieren. Het instituut is uiteindelijk wel opgezet om jonge, getalenteerde atletes uit de omgeving de mogelijkheid te bieden een topsportbestaan in het hardlopen op te bouwen. Tegelijkertijd kunnen die meisjes bij ons aan hun schoolvaardigheden werken, want dat is hoognodig hier. Meisjes gaan nog veel te weinig naar school. Bij ons leren ze meer dan rekenen en taal. Ze leren ook dat de wereld niet overal dezelfde is. Dat die diepgewortelde ongelijkheid tussen mannen en vrouwen helemaal geen traditie is, maar doodgewone luiheid. Hier worden ze geconfronteerd met jongens die hun eigen kamer moeten schoonhouden. Je moet de gezichten van die meisjes eens zien als ze voor het eerst werkende jongens
zien! Als die meisjes straks trouwen en een eigen gezinnetje stichten, dan kunnen zij ervoor zorgen dat hun dochters geen voetveeg worden en hun zonen luilakken.’

‘Kennis, daar draait het in het leven om. Kennis is alles. Het is het medicijn tegen alle kwalen. Ik ben tegen het geven van alleen financiële ontwikkelingshulp. Geld helpt maar even. Als je mensen geld geeft, wat leren ze dan? In ieder geval niet om op eigen benen te staan. Ze blijven afhankelijk, ze worden lui en zeggen op den duur niet eens meer dankjewel. Geldt raakt op, maar kennis blijft. Kennis houdt je alert en maakt je creatief. Ik zie nog zo vaak jonge jongens hier in de buurt die de hele dag niets anders doen dan koeien stelen en met elkaar vechten. Ruzies tussen dorpsgemeenschappen ontstaan doordat jongens rottigheid uithalen, terwijl ze in de schoolbanken thuishoren. Met het geld dat via de Lornah Kiplagat Foundation binnenkomt, financieren we al een paar jaar het schoolgeld voor veel kinderen in de omgeving. Daarnaast bieden we talentvolle meisjes ook studiemogelijkheden in de Verenigde Staten, zodat ze de kennis die ze opdoen later weer kunnen uitdragen in Kenia.
Dit jaar gaan we een begin maken met de bouw van een kostschool voor driehonderd meisjes. Dan komt mijn droom uit. Ja, schrijf maar op: mijn droom. De grote veranderingen in Afrika zullen van die meisjes moeten komen, want zij hebben de toekomst van de mannen in handen. Zij moeten later hun jonge zonen opdragen hard te werken. Zij moeten de jonge mannen duidelijk maken dat vrouwen gelijkwaardig zijn. Deze steen moet ook gaan rollen en ze zál gaan rollen, no doubt about it. Je kunt alles zeggen van Afrika, maar het is geen verloren continent. We moeten alleen aan de slag.’

Lornah Kiplagat is geboren op 1 mei 1974 in Kabimiet, Kenia. Sinds 2003 komt ze officieel uit voor Nederland. Kiplagat is een langeafstandsloopster, die zich niet alleen richt op de weg, maar ook actief is op de baan of in het veld.
Titels
• Wereldkampioene veldlopen in 2007
• Wereldkampioene 20 km in 2007
• Wereldkampioene halve marathon in 2007
• Europees kampioene veldlopen in 2005
• Wereldkampioene 20 km op de weg in 2006
• Nederlands kampioene 10 km in 2005, 2006
• Nederlands kampioene marathon in 2005



Willem van Leeuwen Tijdens en na zijn studie Nederlandse Taal- en Letterkunde werkte Willem van Leeuwen (1959) als correspondent en journalist bij het Amstelveens Weekblad. Daarna was hij onder meer werkzaam voor Twentsche Courant Tubantia. Als freelance journalist en tekstschrijver (sinds 1997) reisde hij voor uiteenlopende reportages, voor tal van bladen, door onder meer India, Kenia, Hongarije, Italië, Maleisië en Indonesië. Voor de rubriek Zin in NRC Next maakte hij een aantal interviews met inspirerende persoonlijkheden. Willems motto: ‘always interested in people, places and possibillities’.

Het interview met Lornah Kiplagat werd in januari 2008 gepubliceerd in NRC Next.

Ahmed el Mesri – Liefde voor de medemens gaat voor de familie-eer

november 16, 2009
Door Annemiek Onstenk

In 2007 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Ahmed El Mesri (52), al 25 jaar in een rolstoel, richtte vele organisaties op, helpt gehandicapte migranten en brengt groepen dichter bij elkaar.

Hij kan schor bulderen als een imam, maar roept op tot verdraagzaamheid. Hij zoekt het gesprek, maar schuwt de confrontatie over omstreden onderwerpen als homoseksualiteit, eerwraak en handicap niet. ‘Ik houd van taboes’. Hij richtte vele organisaties op, helpt mensen waar hij kan en organiseert bijeenkomsten om uiteenlopende groepen dichter bij elkaar te brengen. In 2007 werd hij door de koningin benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Ahmed El Mesri (1957) woont ruim 30 jaar in Nederland en kan sinds hij 25 jaar geleden een auto-ongeluk kreeg niet meer lopen. De handicap zette letterlijk een streep door zijn loopbaan, maar maakte hem tot man met een missie. ‘Liefde voor de medemens gaat voor de familie-eer,’ zegt hij bijvoorbeeld. Een gesprek met een opmerkelijk figuur.

We bezoeken hem op één van de plekken waar hij kantoor houdt: het Amsterdamse Patiënten en Consumenten Platform (APCP). Hij ontvangt en adviseert individuele migranten met een handicap en denkt met de patiëntenorganisatie mee over beleid ter verbetering van hun lot. Dat is het juiste woord, ‘lot’; ‘positie’ zou nog te rooskleurig klinken. Ahmed El Mesri sprak voorafgaand aan ons onderhoud bijvoorbeeld met een jonge blinde vrouw die zichzelf tien jaar heeft afgezonderd vanwege haar handicap. El Mesri oogt zelf ook kwetsbaar, maar die indruk verdwijnt snel. Zijn benen mogen dan niet doen waar ze voor bedoeld zijn, aan zijn spraakvermogen mankeert niets. ‘In Marokko praat je niet over handicaps, dat is taboe. Mijn familie daar had zeker voor me gezorgd, maar ik had me nauwelijks verder kunnen ontwikkelen. Mijn handicap heeft me in Nederland gehouden. Veel migranten hier behandelen hun familieleden met een beperking niet goed. Ze worden verborgen gehouden, soms zelfs
geslagen. Ook roddelen ze over hen of families nemen hun geld af in ruil voor verzorging.’

Vanuit het APCP en de door El Mesri opgerichte belangenvereniging Onze Hoop komt hij op voor migranten met een handicap of chronische ziekte en hun familie. ‘Je kunt nooit iemand helpen zonder familie. Omdat ikzelf migrant én gehandicapt ben, kan ik de kloof overbruggen. Families komen me iets vragen of voorleggen; ze hebben een gehandicapte zoon, dochter, vrouw of man en geen zorg. Ik vraag hen dat familielid mee te nemen en nodig hen vervolgens uit naar bijeenkomsten te komen, uit hun isolement. Ik heb zeer schrijnende gevallen gezien. Bijvoorbeeld een echtpaar dat al tientallen jaren in Nederland woont en waarvan de man na een herseninfarct twee jaar gehandicapt thuis zat opgesloten. Uit schaamte en om te voorkomen dat zijn omgeving slecht over hem praat. Terwijl zijn vrouw nota bene schoonmaakster is in een ziekenhuis!’

Zelf heeft Ahmed El Mesri na zijn ongeluk op een afgelegen plaats moeten revalideren. Een moeilijke en eenzame periode. ‘Mijn vrienden vonden me een lastpost. Gastarbeiders kwamen om te werken, niet om gehandicapt te zijn. Ik ontwikkelde een extra zintuig voor afwijzing. Toen ik terugkwam in Amsterdam, hield ik de eerste week de gordijnen dicht. Je moet wilskracht hebben om verder te gaan, proberen je weg te vinden. Achteraf gezien was het een tijd van bezinning, ik ben door die handicap herboren.’ Hij is nu een hardwerkende man met vele bezigheden, waaronder die van tolk/vertaler en van voorzitter van clubs als vriendschapsvereniging Assadaaka. ‘Ik probeer mijn grenzen te verleggen en wil mijn lotgenoten laten zien dat je ook met een handicap veel kunt betekenen. Bij mij heeft het lang geduurd voordat ik zover was, ik had geen mensen om me heen. Dat gun je niemand. Daarom wil ik voor anderen een steunende rol vervullen, om hen sterker te maken.’

Zamel? Nou en!
Een leven in afhankelijkheid was ook niets voor hem geweest. El Mesri had al vroeg een sterke vrijheidsdrang. Als zestienjarige jongen, zoon in een stedelijk middenklassegezin met zeven kinderen, verliet hij het Marokkaanse Tetouan om iets van de wereld te zien. Hij maakte er kennis met de Westerse cultuur. ‘Mijn vader dreef handel in de Spaanse enclave Ceuta. Ik ging vaak met hem mee en zag daar van alles op de televisie.’ Zijn ouders waren open en liberaal. ‘Mijn moeder was vroedvrouw én begeleidde mensen bij het sterven. Ook mijn vader hielp mensen. Hij was tevens imam, maar deed daar niets mee. In mijn omgeving droegen vrouwen geen sluiers en ze gaven mannen gewoon een hand. Mijn ouders waren gelovig als doorsnee moslims.’
Ahmed El Mesri moet iets van die sociale en liberale inslag en dat prekerige hebben geërfd. Hij zet zich dagelijks in voor anderen en houdt er een uitgesproken individualistische en liberale mening op na. El Mesri laat zich niet zeggen hoe hij moet leven en ontzegt ook anderen die vrijheid niet. Vrouwen niet, homo’s niet, niemand. ‘Als mensen zeggen dat homoseksuelen (zamel in het Arabisch) slecht zijn, zeg ik: “Wat heb jij daarmee te maken, heb respect en laat hen in hun waarde. Het zijn mensen, het zijn ook moslims.” “Leer jezelf kennen,” denk ik dan. Vaak hebben degenen die hard schreeuwen zelf homo-erotische gevoelens.’
Volgens hem wemelt het in de geschiedenis van mannen met homoseksuele contacten.

Ahmed El Mesri vindt dat kinderen in de opvoeding moeten meekrijgen dat homoseksualiteit gewoon is en slechts één aspect van iemands persoonlijkheid. Om kennis te maken met ‘die andere wereld’ bezocht hij met zijn eigen, volwassen zoon eens een gay bar op het Amsterdamse Rembrandtsplein.
Zijn standpunten worden hem niet altijd in dank afgenomen. El Mesri wordt af en toe bedreigd. Maar een bedreiging doet hem niks, hij is niet bang. Het leven met een handicap heeft hem hard gemaakt, zegt hij. Regelmatig ook hoort hij: ‘Ahmed is homo’. ‘Al zou het zo zijn, toch zeg ik: “Nou en?” Maak je over mij geen zorgen, ik maak me zorgen over júllie. Ik zie bestuurders van andere migrantenorganisaties soms opkomen voor participatie maar afstand nemen van homoseksuelen. Ze krijgen gemeenschapsgeld en moeten naar mijn mening de vrijheden van anderen respecteren. Wij leven in een multicultureel land. Ik ben niet tegen hen, maar vind wel dat ze hier en daar kennis- en informatieachterstand hebben.’ De veroordeling van homoseksualiteit komt naar zijn mening voort uit onwetendheid. Zijn missie is anderen voor te lichten en bewust te maken.
Soms moet je volgens hem provoceren moet om zaken bespreekbaar te maken. Zo organiseerde El Mesri in Amsterdam Oost verschillende debatten over homoseksualiteit, waar honderden mensen op af kwamen. Eén van die bijeenkomsten was tot verontwaardiging van een aantal moslims tijdens de ramadan.

Hangmannen
Zet Ahmed El Mesri middenin een bont gezelschap van allochtone en autochtone buurtgenoten, mannen en vrouwen met verschillende religies en culturen en hij is in zijn element. Hij wil méngen, categoraal werken is hem een gruwel. ‘Apart zitten als migranten bevordert de participatie niet, het belemmert die eerder. Je moet migranten ook niet in de watten leggen. We moeten niet denken dat we meer rechten hebben dan anderen.’ Deze mening brengt hem geregeld in conflict met het establishment van het gesubsidieerde migrantenwerk. Symbolisch is het verschil van mening dat hij in het Amsterdamse stadsdeel Zeeburg had over schotelantennes. ‘Schotels verhinderen goed nabuurschap, ze kweken vreemdelingenhaat. Vanuit Assadaaka vond ik dat de schotels weg mochten, op voorwaarde dat er een alternatieve oplossing kwam, zoals een gemeenschappelijke antenne op het dak. Mensen denken dan dat ik tegen ze ben. Migrantenorganisaties gingen zelfs handtekeningen tegen me verzamelen. Maar we deden
onderzoek in de buurt en veel migranten bleken dat alternatief op het dak zelf te willen.’
Ik vind dat de manier waarop medewerkers van welzijnsorganisaties soms werken mensen op hun plek houdt in plaats van vooruit helpt. Assadaaka geeft bijvoorbeeld computerlessen om vrouwen uit hun isolement te halen. De welzijnsinstelling heeft mannen de ruimte naast hen gegeven. Die mannen blijken er vooral te zijn om de vrouwen te bekritiseren (‘alle vrouwen die meedoen zijn hoeren’), maar worden niet verwijderd. De vrouwen komen dan niet meer. De hangmannen vormen tegenkrachten en belemmeren de emancipatie van vrouwen. Zelfs bekende bestuurders van migrantenorganisaties maken zich daaraan schuldig.’ Zij vormen volgens El Mesri echter een kleine groep. ‘De doelgroep van vrouwen staat wel open voor veranderingen.’
Hij is niet overal een graag geziene gast. Wat dat betreft deed het lintje van de koningin, dat hem door burgemeester Job Cohen werd opgespeld, hem goed. Het was een blijk van erkenning. Ook geniet hij vertrouwen van de mensen die hij bijstaat en de vele organisaties waar hij mee samenwerkt. Maar geliefd of niet, El Mesri blijft strijdlustig. ‘Ik kan niet vechten of wegrennen, maar ze krijgen me niet klein. Mensen mogen me uitschelden, ik kan tegen een stootje. Als ze me iets zouden aandoen, zijn ze laf. Met mij kun je alleen praten.’

Bio auteur: Annemiek Onstenk, de journalist achter Tekst, redactie & research, staat voor maatschappelijk betrokken en kritisch schrijven. Ze heeft lef en werkt met een open blik. Onstenk, ook opgeleid als socioloog, beschikt over een brede belangstelling en deskundigheid.

http://www.annemiekonstenk.nl/

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.